Deel dit artikel:

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

De leegte van Le Grand-Bornand

Dylan Teuns is bevangen door de kou en trekt snel wat warms aan. Hij heeft zojuist op verbluffende wijze de achtste etappe van de Tour de France op zijn naam geschreven. In uitzonderlijk hondenweer bleek de Belgische klimmer de taaiste der vluchters. Als Teuns, die bijna scheelkijkt van uitputting, zich omdraait om te zien wie vlak achter hem is gefinisht, blijkt hoe bijzonder zijn zege is. Op de waterkoude middag van 3 juli is zojuist een stuk moderne wielergeschiedenis het skioord van Le Grand-Bornand binnengereden.  

Le Grand-Bornand. Een verzameling beton te midden van Alpenweide. Herhaaldelijk is het bergdorp finishplek geweest van een Touretappe. Door de jaren heen werd de afdaling van de vermaarde Col de la Colombière een stuk Tourmeubilair. Maar toch. Nooit kwam bij de gedachte aan Le Grand-Bornand het beeld op van allesbeslissende ontknopingen, heldhaftige demarrages of zenuwslopende duels. Nee, Le Grand-Bornand ligt vaak voor aap in het routeboek. Als aperitief voor een nog zwaardere bergrit. Zeker geen plek voor een fenomenale wending. Toch?

Zo dacht Dylan Teuns er waarschijnlijk ook over. Tignes? Ventoux? Col du Portet? Nee, daar lag geen roem op hem te wachten. De weg naar Le Grand-Bornand, over de Romme en de Colombière, is een ideaal pad voor de moedige vluchter. De Tourorganisatoren deelden die gedachte. Etappe 8 was een klassieke opwarmrit voor een vernietigende aankomst bergop in Tignes. In Le Grand-Bornand zou een nieuwe, tijdelijke held à la Linus Gerdemann geboren worden. Wat het klassementsgevecht betreft, zou er stilte voor de storm heersen.  

De Tour van 2021 was al een speciale. Alleskunners Wout van Aert, Julian Alaphilippe en Mathieu van der Poel maakten de eerste Tourweek tot een boeiend schouwspel. In hun schaduw bouwde Tadej Pogacar al gestaag aan een nieuwe eindoverwinning. De dagzege in de tijdrit was een eerste bevestiging van zijn idioot hoge niveau. Het was eigenlijk de vraag wanneer Pogacar zijn suprematie ook in de bergen zou tonen. Zeker niet op weg naar Le Grand-Bornand, toch? Echter, de Tour van 2021 was al een speciale. En dus moest er ook op weg naar het Alpendorp het nodige gebeuren.

Als gevallen bladeren van een reusachtige boom dwarrelden ze over de wegen. Renners. Overal. Hier een plukje, daar een groepje. Overal reden renners of stonden renners stil. Iedereen leed. Iedereen leed onder de regen en de kou. Al gauw was duidelijk dat één renner, in het spierwit gehuld, het stadium van lijden nog niet bereikt had. Ergens op de steile stukken van de Col de Romme besluit hij dat het tijd is. Hij trekt vier of vijf keer stevig aan zijn stuur en is dan gaan vliegen.

Meteen is er de leegte. De leegte die kan ontstaan na een flinke tempoversnelling. Nog 35 kilometer en twee cols zijn er te overwinnen. Alleen Richard Carapaz probeert Pogacar te volgen. Gedurende een minuut lijkt de Ecuadoriaan de ijdele hoop op een spannende Tour, de redder in nood voor de neutrale wielerfans. Het blijkt onbegonnen werk. Hier is zojuist een renner weggereden die gezegend is met de genen van een recordkampioen. Pogacar zwaait de concurrentie voorgoed vaarwel. Wat overblijft, is nog meer leegte.

Onderweg rijdt hij de ene na de andere collega met een sneltreinvaart voorbij. De reacties lopen sterk uiteen. De een kijkt de jonge Sloveen hoofdschuddend na. De ander kan een glimlach niet onderdrukken. Alsof hij het wegdek voor al zijn reisgenoten twee keer zo steil heeft gemaakt met behulp van een afstandsbediening. In de achterhoede blijft men vertwijfeld achter. Daar reden ze, verbijsterd. Rigoberto Uran, Wilco Kelderman, Enric Mas en consorten. Ze zwegen en reden. Waren een futloos publiek tijdens een onemanshow.

Op de streep klopt het Sloveense wonderkind eens flink op zijn tengere borstkas. De drieënhalve minuut die hij uitloopt op zijn rivalen uiten zich in het lange wachten. Laat iemand tot drieënhalve minuut tellen en het lijkt een dag te duren. Vooral in de regen, vooral in Le Grand-Bornand. Le Grand-Bornand was hét dorp van de inleidende beschietingen. Op 3 juli 2021 was het de stille getuige van een van de meest eenzijdige slagvelden uit de wielergeschiedenis. Een slagveld, gevolgd door leegte. Een leegte, achtergelaten door een 22-jarig broekie.  

Wat nu? Kan Pogacar zijn concurrenten nog serieus nemen? Wat zijn voor de jonge Sloveen nog uitdagingen? Wint hij de Tour straks met een halfuur voorsprong? Pauzeert hij onderweg eens voor taart of trappist? Mengt hij zich in de massasprints? Rijdt hij de tijdrit op een stadsfiets? De allesoverheersende kracht van Pogacar wakkert wilde gedachten aan over een eindeloze reeks Touroverwinningen, veertig etappezeges of vijftien bollentruien. Het kan niet en het gebeurt niet. Maar zijn absurde prestaties wekken deze hersenspinsels op. Wie wil er in de nabije toekomst überhaupt nog naar de Tour als deze snotaap meedoet? Zou hij zelf twijfelen aan een eventueel Tourzegeabonnement?

Alle open deuren kunnen worden ingetrapt. Parijs is nog ver. Er kan nog van alles gebeuren. Er moet geen steentje op de weg liggen. Hij moet geen slechte dag krijgen. Hij mag niet verkeerd fietsen. Hij mag niet ziek worden. Maar hoewel de Tour nog twaalf dagen duurt op het moment dat ik dit schrijf, ligt de Tour in de plooi. Punt uit. Alle bovengenoemde clichés staan er voor de moeite. Ze maken dat de tweede Tourzege van Tadej Pogacar alleen nog niet met pen, maar met potlood in de boeken staat.

Le Grand-Bornand. Het wintersportoord van inleidende beschietingen en tijdelijke helden dus. Tot ‘Pogi’langskwam. Hij gaf Le Grand-Bornand een écht stuk Tourgeschiedenis. Hij blies als een échte wervelwind vol pure koersmagie een flink stuk wielerhistorie het bescheiden Alpendorp in.

Frankrijk is bezet door een Sloveense generaal. En die bezetting zou weleens heel lang kunnen duren.